Tuesday, February 5, 2013


38 Olifantenpaadje 553

Iedereen weet inmiddels, via ‘de Wereld Draait Door’, wat een ‘olifantenpaadje’ is. Volgens Frank uit Frankrijk noemen ze het daar ‘Chemin de l’ âne’.                                                                                                                Wij rijden in een 4x4 Jeep door het Addo olifantenpark in de buurt van Port Elizabeth. Gelukkig is er een zeil over de wagen gespannen, want de zon staat deze morgen al in zijn volle glorie te broeien aan de staalblauwe lucht. We zien de Zebra, Kudu, Wildebeest, Eland, Antilope,Buffel en noem maar op beesten. We spotten allerhande vogels, insecten en amfibieachtige dieren. Bij een meertje staat een menigte olifanten ter vergadering verenigd en wassen en plassen of klooien een beetje in de modder. De baby’s verschuilen zich half onder hun moeders. Al met al een vredig schouwspel wat nooit verveelt. We rijden verder als we een tijdje later een enorme olifant gewaar worden.  Het is een mannetje, wat volgens onze gids, Januarie, uit de kudde verstoten is. ‘Dit beest kan in dit geval soms wel agressief zijn,’ verzekert hij ons. We rijden van de weg af en gaan een eindje een zeer smal en woest paadje op om het kolossale beest wat van dichterbij te opserveren.  Het lawaai van de motor doet het dier even opkijken. Hij loopt sneller als we dachten.  Het gezelschap begint zich ongemakkelijk te voelen, maar de gids is vol zelfvertrouwen en stopt de Jeep. We kijken ademloos toe hoe de olifant over het grasland dichterbij komt. ‘Niet bewegen of lawaai maken,’ zegt de gids, terwijl hij zijn motor afzet. Plotseling besluit de olifant van richting te veranderen en stevent op het pad af waar wij met de wagen staan. Nu verlaat hij werkelijk de prairie en loopt op ons af, kennelijk om de kortste route naar de weg te nemen, waar wij net vandaan komen. Opeens vinden wij dit deel van de expeditie niet zo prettig meer. De bruine gids wordt wat bleek om zijn neus. De kolos, enkele tientallen meters van ons vandaan, begint met zijn oren te wapperen, nu niet om zich wat koelte toe te waaien, maar louter uit kolere. Dan stoot hij een machtig gebrul uit, gevolgd door meer orengewapper en gestamp met zijn linker poot. Kennelijk is het beest er niet mee eens dat wij zijn olifantenpaadje blokkeren.  De motor draait weer en giert op volle toeren. We rijden achteruit het pad af. Maar dat is niet zo gemakkelijk. De bodem is ongelijk en vol bobbels, we moeten ons gezicht beschermen tegen zwiepende takken van bomen en struiken. De Jeep begint hevig te slingeren, de chauffeur/gids moet gas terug nemen.  De kwaadheid van het beest is in pure razernij veranderd. Er is hier wat voor te zeggen. We gebruiken tenslotte zijn paadje.                                                                       Nu komt de olifant met luid getrompetter werkelijk op ons afdenderen. De passagiers staren met verstarde blik, dan weer naar onze aanvaller, dan naar het einde van het pad. We voelen dat dit mannetje geen medelijden met ons zal hebben en ons met Jeep en al kan vermorzelen. We maken een scherpe bocht, terwijl twee wielen van de grond willen afkomen.  Januarie sukkelt door zijn zenuwen om de wagen in de eerste versnelling te krijgen. Gelukkig kan de olifant niet zo snel remmen en keren en passeert ons op een paar meter afstand. Dan stuiven we in een wolk van wervelend zand weg.     

Wednesday, January 2, 2013

36 De bioscoop 851


 36 De Bioscoop 851
De zee is kobalt blauw en zo rustig als onze passagiers het graag willen hebben. Geen schip of land tot aan de verre horizon te zien. Het is of we alleen op de wereld zijn en de SS Rotterdam klieft zich op volle kracht door het water van de Caribische zee.                                                                                       We bevinden ons in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw.                                                                                                                                                               Ik ben aan mijn nieuwe job begonnen. Badmeester aan het zwembad op het achterdek. Ik heb geen zwemdiploma en dan is het toch, om tot deze functie door te dringen, voor een zeventienjarige een prestatie. Het is een rustig baantje.  Ik verwijder om een uur of half negen het veiligheidsnet van het zwembad en maak het schoon met een zwembadstofzuiger. Dan ga ik met een stapel gebruikte handdoeken naar de wasserij. De kortste weg is via de machinekamer, de passage daarvan duurt slechts twee minuten, en krijg hier mijn twee dagelijkse sauna beurten. Het is er namelijk bloedheet,  totaal nat getranspireerd verlaat ik deze donkere ruimte en het oordovend lawaai van de machtige motoren.                                                                                                                                                                      De Chinezen in de wasserij zijn altijd vriendelijk maar lastig om mee te communiceren. Ze spreken geen Engels. Ze zijn altijd gekleed in korte broek en T.shirt en komen hun berenwarme wasserij nauwelijks uit. Ze leven er net als in China in de steden, op een kluitje.                                                  Met een hoge schone stapel handdoeken ga ik terug door de sauna naar het zwembad. Ik leg de ligbedden in het gelid en deponeer op elk ervan een kussen en opgerolde handdoek. Mijn klanten zijn het meest oudere mensen, eigenlijk zijn cruises voor het merendeel in trek bij gepensioneerden. De dames zijn duidelijk in de meerderheid. Ze hebben hun, zich dood gewerkte en ook door te veel alcohol gesloopte echtgenoten, overleefd. Ze liggen op de ligbedden met hun uitgezakte figuren en opgezette buikjes in te strakke zwempakken, die veelal versierd zijn met grote bloemmotieven.     Ook rond het zwembad houdt de bling- bling niet op. Om de nekken hangen dikke gouden of zilveren kettingen, om hun armen worden armbanden van verschillende diktes en metaalsoorten gedragen en de te korte veel al kromme vingers sieren zich met diamanten ringen, de één nog grotere dan de andere of met kleurige joekels van sierstenen. De rimpelige gezichten worden overdadig geschminkt met ruim rouge op de bleke wangen en alle kleuren van de regenboog mascara rond hun ogen. Op de met een pinset bewerkte wenkbrauwen wordt het beetje haar zwaar, zwart aangestift. De getoupeerde dunne haardossen zijn door de kappers van het schip van platina blond tot vaal roze gekleurd. Als de dames zich te water laten, ontdoen zij zich van al die sierraden onder het slaken van een gilletje, ‘ik voel mij zo naakt.’ Ik, de badmeester, moet op de rijkdommen passen. Deze lady’s zijn op z’n Amerikaans overdadig vriendelijk en bewonderen mij.  Ik ben al in Amerika geweest en zij hebben nog nooit Europa bezocht. ‘Ik doe dit werk om de wereld te zien,’ zeg ik altijd en Amerikanen kijken daar naar op.                                                                                                                                                                       Een van de dames heeft haar kleindochter van zestien, Kitty genaamd, op de reis meegenomen. Ze is  een kopje kleiner dan ik en heeft mooie lange blonde haren die vrolijk over haar schouders wapperen in de zeewind. Ze zit als een zeemeermin met benen langs de pool.  Het meisje komt uit Boston en haar ogen zijn groen en draagt geen make- up. ‘Daar zien we hier al te veel van,’ zegt ze. Als inkoppertje antwoord ik, ‘je hebt dat ook helemaal niet nodig, ik houd van naturel.’                      Als het rustig is langs het zwembad  roddelen we zo onopvallend mogelijk(met passagiers omgaan is streng verboden en heeft op staande voet ontslag tot gevolg)  over de passagiers, praten over Elvis Presley en andere muziek.                                                                                                                                          ‘Ik heb Paul Anka op een reis van Rotterdam naar New York eens een telegram moeten brengen,’ vertel ik. ‘Ik bel aan bij zijn hut. Hij doet open en ik zeg, “are you mister Anka?” De man kijkt mij verbaasd aan, is helemaal niet blij dat ik hem niet herken, grist het telegram uit mijn handen. De gebruikelijke fooi heb ik op mijn buik kunnen schrijven.’
Het schip heeft twee bioscopen en één wordt er tijdens een cruise niet gebruikt. Kitty en ik glippen de ongebruikte binnen, het is er lekker donker. We sluipen naar de achterste rij en nestelen ons op de heerlijk zachte ribfluwelen klapzetels. We genieten extra van het verbod. Ik mag niet met passagiers omgaan en Kitty mag zich van haar oma niet met bemanningsleden inlaten. Als het nou  een officier was nog daar aan toe, maar een badmeester kan echt niet volgens haar.
We wisselen wat intercontinentale kusjes uit en hebben het grootste gesmoorde plezier. Plotseling steken daar twee hoofden beneden in de zaal hun kop op tussen de rij zetels.  Eén figuur, kan ik vaag zien aan de glimmende sterren, is duidelijk een officier, de ander die van een vrouw. Wij duiken tussen de zetels en verlaten muisstil de bioscoop. De volgende dag meren we aan in New York en eindigt de romance.                                                                                                               
      

Monday, December 31, 2012

35 Bedelaars 555


35 Bedelaars 555
Stoplichten zijn bij uitstek de plaats om aan geld te komen voor onze minderbedeelde medemens, die ook nog eens af te rekenen hebben met de een of andere handicap.                                                                                                     Zo is daar een mannetje die in een zelfbouw skeltertje met rubberen banden zit.  Alles is erbij hem van onderen af, daar voor in de plaats is er heel vernuftig een ijzeren band en onderstuk geplaatst, zodat hij rechtop kan zitten. Met een kort houten plankje in elke hand duwt hij zich voort en door zijn bovenlichaam naar opzij te hellen kan hij aan zijn vervoermiddel richting geven. Hij zit te laag om bij de vensters van de auto’s te komen. Hier heeft de man wat op gevonden. Aan een hengel heeft hij een katoenen zakje gemaakt dat wordt opengehouden door een stuk ijzerdraad wat zijn moeder om de boord van het zakje heeft genaaid. De Zuid Afrikaanse regenboogvlag wappert aan een stok een meter boven hem om de automobilisten te waarschuwen dat het hier om een traag verplaatsend onderdeel van het verkeer gaat.                                                                                                                          Op het drukke verkeerslicht van Paardeneiland staat een man zonder vingers. Alle tien zijn ze netjes tot op de palm eraf. Voor mensen die niet begrijpen waarom hij hier staat te bedelen heeft hij het ter verduidelijking nog eens groot op een stuk karton geschreven. ‘Man zonder vingers.’                               In Goodwood ben ik ’s morgens tijdens de spits op weg naar het vliegveld. Bij een stoplicht probeert een krantenverkoper zijn waar te slijten. Een bestuurder van een bakkie* drukt op zijn claxon. De krantenverkoper rent op de wagen af, maar de man achter het stuur schudt van nee en drukt opnieuw op zijn claxon. Dan duikt een spastische man op uit de berm.  De bestuurder gebaart naar hem dat hij moet komen. Strompelend op zijn krukken laveert hij naar de auto. Het venster wordt geopend en de bedelaar neemt een groot brood in ontvangst.                                                                         Op een drukke uitvalsweg met drie banen rijdt een, schijnbaar altijd rokende dwerg met slechts één been, op kamikazeachtige wijze bij de stoplichten door het verkeer om een dagelijkse boterham te verdienen. Zijn rolstoel is al honderd maal opgelapt. Hij let niet op, want hij is de gene die invalide is, dat moet dus het drukke verkeer maar doen. Bij het ophalen van zijn Randen is hij al menig maal tegen de auto van de goede gever gebotst.                                                                                                    Op weg naar de winkel vlakbij ons huis loopt er een aardig meisje van een jaar of achttien met haar blinde vader de godganse dag over de vluchtheuvel bij de stoplichten langs de auto’s. Zo kunnen ze beide kanten van het verkeer bewerken.  Ik denk dat de zaken goed gaan want ze wordt ieder jaar wat dikker. Elke keer gooi ik vijf Rand in het bakje en elke keer maakt ze een ouderwetse reverence en schenkt mij een hemelse glimlach.                                                                                                                   Alle bedelaars zijn ondanks hun ellende altijd beleefd en goedgemutst!
Het is heel vervelend als een invalide bedelaar met vriendelijke maar smekende ogen langs je raampje staat. Je kunt ongemakkelijk wegkijken, zogenaamd druk met je telefoon bezig zijn of je gps bestuderen. Makkelijker is je asbak met munten te vullen, (zodat er ook niemand in je auto durft te roken) je raampje openschuiven, iets geven en de warme blik van de bedelaar te ontvangen.   
*Bakkie = pick up
          

Friday, November 2, 2012

34 De Kat 343

We horen al twee dagen het jammerende miauwen van een kat achter ons huis. Via een laddertje tegen de muur op ons veel hoger gelegen terras loeren we in de achterplaats van de buren, die dat weekend kennelijk weg zijn. Het is een zeer hoog ommuurd stukje tuin, die voornamelijk met kiezelstenen is bedekt. Er staat een tuintafel met enkele stoelen, die afgedekt zijn met doorzichtig plastic. Er staan ook nog enkele potten met bloemen, volgens onze waarneming van kunststof. Na een tijdje speuren zien we wat bewegen. In een hoekje onder de tafel ontdekken we de kat, die zo klaaglijk jammert. We laten een plastic bakje vastgemaakt aan een dun stuk touw naar beneden vieren en na enig modderen ligt het met de onderzijde op de grond. Daarna mikken we een straaltje melk, ligt verdunt met water, in het bakje. Dat is niet gemakkelijk. Het meeste vocht valt er naast of spet eruit. Het duurt dus even voor we de slag te pakken hebben en het gevuld krijgen. Tevens gooien we rondom het melkbakje wat stukjes vis en ham. Die nacht horen we geen geweeklaag. Ons voedsel heeft kennelijk gesmaakt. Ook de volgende dag voorzien we het beestje van vocht en vast eten.

Een dag later komen de buren thuis en ontdekken de poes. Het beestje is verschrikkelijk schuw en laat zich niet pakken. Dan besluiten ze een stellage met een lange ladder te maken om zo de kat een ontsnappingskans te geven, zodat ze naar de plaats kan gaan waar ze thuis hoort. Later blijkt het beestje bij een vrouw te horen, een prominent lid van de groene partij, die slechts twee huizen verder woont. Zeer vriendelijke overigens, hoort ze het verhaal van de inspanning om haar kat te voeden vrij nonchalant aan. Ze had het beestje niet gemist of gehoord.

Die dag staan de kranten vol van de vervroegde vrijlating van Michelle Martin. Ze gaf wel haar honden te eten, maar liet de kinderen, die Marc Dutroux bij haar thuis in de kelder had opgesloten, verhongeren.


 

33 Soldaten 888


 

In een dunne sliert, op een paar meter afstand van elkaar, loopt een infanteriepeloton van acht soldaten door de bush, die zo nu en dan wordt afgewisseld door grote stukken grasland. Soms lopen de mannen flinke stukken om, om deze open plekken te vermijden, als dit niet mogelijk is laten zij zich op de grond zakken en schuiven moeizaam over hun buik door de vegetatie. Het is bloedwarm, vochtig- benauwd tussen de bomen, terwijl op de open stukken de koperen bol ongenadig op de aarde brandt. Grote kringen zweet laten de gescheurde en of gerafelde t.shirts aan de natte lichamen kleven. De lange broeken zitten vol met plekken en slechts een enkele soldaat heeft legerkistjes aan zijn voeten. De meeste lopen op afgetrapte schoenen en een enkeling zelfs op teenslippers. Transpiratie druipt als aan elkaar geregen doorzichtige parels langs hun gezichten, die met modder en klei zijn gecamoufleerd, maar nu treurige strepen op het gelaat tekenen. De zwarte mannen zien er met hun ingevallen gezichten uit alsof ze rechtstreeks uit de hel te komen. Sommige strijders hebben een helm, maar niemand heeft hem op het hoofd staan. Ze hebben wel allemaal het instrument, de Kalashnikov AK47 machinegeweer, wat van een soldaat een vechter maakt. Een verdedigingswapen of aanvallend schietijzer ter bestrijding van de vijand. Het geeft de krijgers trots en de macht om te plunderen, brand te stichten, te moorden en te verkrachten ten koste van weerloze burgers, die gedwongen worden dan weer de ene, dan weer de andere krijgsheer te dienen. Velen dragen in plaats van een ijzeren soldatenplaatje met het legernummer erin gegraveerd een amulet, die hen moet beschermen tegen het kwaad en vijandige kogels. Twee tengere soldaten, van misschien net zestien, sjouwen rugzakken gevuld met gedroogd taai voedsel, ze hebben moeite ook nog het geweer te dragen en slepen het wapen onverschillig aan de loop met zich mee. Als zij tijgerend door het gras gaan nemen soldaten hun geweren over en hoeven ze alleen hun rugzak mee te slepen. Bij het passeren van een groep strijders een half jaar geleden hadden de twee te weinig tijd om zich goed te verstoppen en zijn bij het ontvluchten, van het overigens aan de opstandelingen getrouwe dorp, opgepakt en meegenomen. In het centrale kamp was het de bedoeling dat ze een spoedcursus soldaat zouden krijgen maar ze werden meer gebruikt als voetveeg en manusje van alles. Dit kamp werd aangevallen en de meeste kameraden hebben het zachtjes gezegd niet overleefd en sindsdien zijn ze al zes dagen op de dool. Het groepje was op dat moment niet in het kamp, maar op zoek naar voedsel. Dit confisqueren zij bij burgers als betaling van belasting. Zo zijn ze de gruwelijke dodendans ontsprongen. De troep verplaatst zich onder streng rantsoen van voedsel en een tekort aan water. Als alles goed is moeten ze over twee dagen een klein kamp bereiken, dat hun tijdelijk enige rust zou kunnen verschaffen. De sfeer is door alle ontberingen en slaaptekort zeer gespannen. Ze doorkruisen mogelijk vijandelijk gebied. De baas, Blessings genaamd, is een grote gespierde, door de vele gevechthandelingen geharde querrillastrijder en loopt voorop. Achteraan sluit, een sluwe ervaren vechtersbaas Mozes genaamd, die al van zijn veertiende een geweer draagt, de rij. Ze vertrouwen de twee mannen, die een paar honderd meter voor de groep de route verkennen en de richting uitstippelen, maar half. Ze beweren de streek te kennen maar bij de baas begint de indruk post te vatten dat ze doelloos rond dolen. Die avond zijn er hevige discussies over de te volgen richting. Het bakkeleien wordt onaangenaam als de commandant de kennis over het gebied van de twee mannen ernstig in twijfel trekt. Ze schreeuwen en tieren of er van een mogelijke vijand in de buurt geen sprake is. Eén verkenner is duidelijk onder invloed van drugs en gaat helemaal door het lint, trekt zijn revolver en begint er op los te schieten. Hij raakt één man in zijn arm en wordt dan door Mozes met een schot van zijn AK47 in het hoofd, uitgeschakeld. Die nacht trekken ze voor de veiligheid nog een paar uur verder. Om een uur of drie wordt er halt gehouden en vallen de mannen als een blok inslaap. De volgende dag sjouwen ze nog de hele dag door de bush. Blessings gaat die avond met Mozes en de overgebleven verkenner in beraad. Zij moeten toegeven dat ze hopeloos verdwaalt zijn. Hoe langer een klein peloton als zij ronddwalen des te gevaarlijker wordt het. De vijand kan van alle kanten opduiken. Ze slapen die nacht aan de rand van het woud en een grote open grasvlakte. Ze gaan er vanuit dat de schildwachten alert blijven en niet indommelen, zodat ze niet in hun vaak afschuwelijke nachtmerries overvallen worden door de vijand. De twee 'gedwongen' jonge krijgers voelen dat zij een soort vrienden zijn geworden maar praten slecht als het hoognodig is. Lachen hebben ze allang verleerd. Ze hebben een flink eind van de groep een kuil onder een enorme woudreus gevonden en camoufleren het gat met bladeren en takken.

Die nacht wordt het kamp overvallen en na een hevige strijd, vanwege de overmacht van de vijand, alle mannen gedood. De twee jongens komen uren na de slachtpartij uit hun hol en geven zich over. Hun leven wordt gespaard als ze zich 'vrijwillig' inlijven in het leger van de nieuwe krijgsheer.

Thursday, November 1, 2012

32 Boekenbal 693

De jaren zestig waren het tijdperk van de grote veranderingen. Ouders waren druk bezig met het opbouwen van het land na de tweede wereldoorlog en proefden van de hierdoor ontstane beginnende welvaart. De jeugd liet de haren groeien en de popmuziek knallen. Studies werden opgerekt en 'kunstenaar worden' een populaire bezigheid. Provo's dromden samen in Amsterdam op het Spui rond het Lieverdje en hielden daar hun happenings. Dit onder toeziend oog van Roel van Duyn, terwijl Robert-Jasper Grootveld, bekend als de anti-rookmagiёr en gekleed in heksachtige outfit, wilde dansen uitvoerde in een wolk van rook, terwijl hij klanken als uche uche uitkraaide. Later haalde hij de voorpagina's van de kranten als vlottenbouwer. Deze waren gemaakt van piepschuim en stonden vol met planten, groenten en kruiden, tevens liep er wat kleinvee rond. Na de happening werd het feest voortgezet met agentje pesten en veegde het waterkanon de straten schoon en trakteerde de vaak ongewassen jeugd op een gratis frisse douche. Het hierover, niet lovend, schrijvende dagblad de Telegraaf, wat toen nog in de binnenstad huisde, werd bestormd en de werknemers moesten vluchtten over het dak. De Kabouterpartij werd in 1969 opgericht en het volk stemde vijf zetels in de Amsterdamse gemeenteraad en kreeg ook in Belgiё, voornamelijk in Mechelen enige voet aan de grond. Het witte fietsenplan werd door Luud Schimmelpenninck gelanceerd, dat evenwel in Amsterdam, de fietsstad bij uitstek, mislukte, maar later in andere steden in Europa een succes werd. In Antwerpen loopt het nu storm, ze kunnen de vraag van nieuwe abonnees voor de roodwitte fietsen niet aan en is er tijdelijk een ledenstop. Het Flowerpowergevoel heerste bij de 400.000 festivalgangers, die het wereldberoemde concert in Woodstock bezochten, waar o.a. Joe Cocker, the Doors , Jimi Hendrix , Janis Joplin en Santana acte de présence gaven. Norman Greenbaum trad er met het nummer 'Spirit in the Sky' op, nog steeds een van de beste songs aller tijden. Het tijdperk van hasjiesj en wiet roken was aangebroken. Nepal werd een bedevaartsoord in navolging van het bezoek aldaar van de Beatles. Een grote trek in fel beschilderde Volkwagen busjes trok naar dit super religieuze prachtigeHimalaya land om er het 'Shangri-la' te zoeken. Ban de Bom manifestaties, alom bekend door het fraaie logo en de steeds massalere Vietnam vredesbetogingen tegen de Amerikaanse bezetting en de opvolger van de op 22 november 1963 in Dallas doodgeschoten John F.kennedy, Lyndon B.Johnson, gaven de jeugd steeds meer een stem. Ook de Nobel prijs winnaar Martin Luther King verklaarde zich tegen de oorlog en werd op 07 april 1968 vermoord. Boudewijn de Groot werd in 1966 onsterfelijk met zijn protestsong 'Welterusten Mijnheer de President', een lied geschreven door de onnavolgbare Lennaert Nijgh. Ook de studenten wilden inspraak en bezetten in 1969 het Maagdenhuis, terwijl dat jaar John Lennon en Yoko Ono één week een 'Bed In' hielden in het Hilton hotel Een heerlijk roerige episode, die de jeugd in een heel andere tijd deed leven als een decennium terug. De zestiger jaren eindigden in 1969 al even roerig met het in het Stedelijk museum gehouden Boekenbal, wat als titel voerde, het 'Palais du Pape'. Er waren diverse schandelijke schilderijen te zien van pausen, uit een tijd dat deze heerschappen er een lustig liederlijk leven op na hielden, met ruim ontklede dames om zich heen verzameld in compromitterende poses. Heel de katholieke goegemeente sprak schande en ook de destijds aan de macht zijnde burgemeester Samkalden moest er niets van hebben. Kritische vragen konden niet uitblijven in het parlement. Als niet schrijver had ik op dit festijn geen toegang, maar een meisje wat ik nog nauwelijks kende had een uitnodiging en vroeg me mee als haar partner. We dansten op wilde muziek en voelden ons belangrijk en bevoorrecht tussen de schrijvende massa en de paar top auteurs. We hielpen op het eind van het bal, tegen het ochtendgloren, de deuren sluiten en liepen onvast met een buitgemaakte poster naar de flat van mijn vriendin, die ik intussen veel beter had leren kennen. Doodmoe ben ik op haar bank in slaap gevallen.

Het meisje heb ik nooit meer gezien, ze is na het boekenfeest op vakantie gegaan en bij een auto- ongeluk in Frankrijk omgekomen.

Bron; wikipedia

31 Vlooien 416


 

Eind jaren 60 van de vorige eeuw woonden we op het Klein Heilig Land. Een smal straatje in het hart van Haarlem en zijstraat van de Gedempte Oude Gracht. Schuin tegenover ons bevonden zich, in de oude panden, magazijntjes met veel geblutst antiek koper. 'Hoe komt u aan al de oude koperen potjes en pannetjes? Waar haalt u dat allemaal vandaan?' vroeg ik. De man antwoordt niet zonder trots, 'wij maken antiek en voeren het dan naar Amerika uit, ze zijn er gek op en het verkoopt goed.' Beneden ons woonde een blonde kunstenaar, Erik, met een zeer knappe eveneens blonde vriendin. Een aardig koppel, maar het laatste half jaar begon hij steeds meer midden in de nacht keihard psychedelische muziek te draaien. Wij wilden dit toch even met hem bespreken om de beslist mooie muziek tot een paar keer per week in de nacht te beperken. Dus nodigden we Erik om een uur of vier uit, dan was hij op zijn best, een biertje te komen drinken. Ik trachtte hem met het argument, 'ik moet namelijk werken weet je wel,' te overtuigen meer tijdens de dag muziek op volle geluidssterkte te draaien. Hij vond werken een achterlijk soort van tijdsbesteding. 'Ik krijg geld uit de Contra- prestatie van het rijk,' zei Erik, terwijl hij ons zoetsappig toelachte. ' Ik heb honger,' en hij ving de enige goudvis die in een kom op tafel rondzwom en wilde hem levend en al in naar binnen happen. 'Ongebakken is dat niet lekker,' zei ik en hield zijn hand vlak voor zijn open mond tegen. Hij mikte de vis weer terug in zijn kom. Onze benedenbuurman verwaarloosde zich steeds meer en was meer met drugs en drank bezig dan met eten en kunst. De laatste keer dat we hem opzochten was in het ziekenhuis. Als een triest skelet met zijn vettige lange haren over zijn ingevallen gezicht lag hij in het ziekenhuisbed. Toen hij even bijkwam fluisterde hij; 'Ik ben mijn vriendin en al mijn tanden kwijt.' Het was die zomer erg warm en in ons oude pand was veel hout verwerkt. We moesten onze poes laten onderduiken in de straat bij een paar gedeserteerde Amerikanen, die de oorlog in Vietnam wilden ontlopen. Oorzaak houtvlooien. Ik heb bij de buurman om de hoek, Jean-Pierre, zijn stofzuiger geleend, en al het ongedierte opgezogen. Daarna het apparaat weer netjes bij hem teruggezet.

Twee dagen later komt J.P. vragen; 'Hebben jullie ook zo'n last van vlooien?' Misschien had ik de stofzuiger wel moeten schoonmaken?