Friday, November 2, 2012


 

33 Soldaten 888


 

In een dunne sliert, op een paar meter afstand van elkaar, loopt een infanteriepeloton van acht soldaten door de bush, die zo nu en dan wordt afgewisseld door grote stukken grasland. Soms lopen de mannen flinke stukken om, om deze open plekken te vermijden, als dit niet mogelijk is laten zij zich op de grond zakken en schuiven moeizaam over hun buik door de vegetatie. Het is bloedwarm, vochtig- benauwd tussen de bomen, terwijl op de open stukken de koperen bol ongenadig op de aarde brandt. Grote kringen zweet laten de gescheurde en of gerafelde t.shirts aan de natte lichamen kleven. De lange broeken zitten vol met plekken en slechts een enkele soldaat heeft legerkistjes aan zijn voeten. De meeste lopen op afgetrapte schoenen en een enkeling zelfs op teenslippers. Transpiratie druipt als aan elkaar geregen doorzichtige parels langs hun gezichten, die met modder en klei zijn gecamoufleerd, maar nu treurige strepen op het gelaat tekenen. De zwarte mannen zien er met hun ingevallen gezichten uit alsof ze rechtstreeks uit de hel te komen. Sommige strijders hebben een helm, maar niemand heeft hem op het hoofd staan. Ze hebben wel allemaal het instrument, de Kalashnikov AK47 machinegeweer, wat van een soldaat een vechter maakt. Een verdedigingswapen of aanvallend schietijzer ter bestrijding van de vijand. Het geeft de krijgers trots en de macht om te plunderen, brand te stichten, te moorden en te verkrachten ten koste van weerloze burgers, die gedwongen worden dan weer de ene, dan weer de andere krijgsheer te dienen. Velen dragen in plaats van een ijzeren soldatenplaatje met het legernummer erin gegraveerd een amulet, die hen moet beschermen tegen het kwaad en vijandige kogels. Twee tengere soldaten, van misschien net zestien, sjouwen rugzakken gevuld met gedroogd taai voedsel, ze hebben moeite ook nog het geweer te dragen en slepen het wapen onverschillig aan de loop met zich mee. Als zij tijgerend door het gras gaan nemen soldaten hun geweren over en hoeven ze alleen hun rugzak mee te slepen. Bij het passeren van een groep strijders een half jaar geleden hadden de twee te weinig tijd om zich goed te verstoppen en zijn bij het ontvluchten, van het overigens aan de opstandelingen getrouwe dorp, opgepakt en meegenomen. In het centrale kamp was het de bedoeling dat ze een spoedcursus soldaat zouden krijgen maar ze werden meer gebruikt als voetveeg en manusje van alles. Dit kamp werd aangevallen en de meeste kameraden hebben het zachtjes gezegd niet overleefd en sindsdien zijn ze al zes dagen op de dool. Het groepje was op dat moment niet in het kamp, maar op zoek naar voedsel. Dit confisqueren zij bij burgers als betaling van belasting. Zo zijn ze de gruwelijke dodendans ontsprongen. De troep verplaatst zich onder streng rantsoen van voedsel en een tekort aan water. Als alles goed is moeten ze over twee dagen een klein kamp bereiken, dat hun tijdelijk enige rust zou kunnen verschaffen. De sfeer is door alle ontberingen en slaaptekort zeer gespannen. Ze doorkruisen mogelijk vijandelijk gebied. De baas, Blessings genaamd, is een grote gespierde, door de vele gevechthandelingen geharde querrillastrijder en loopt voorop. Achteraan sluit, een sluwe ervaren vechtersbaas Mozes genaamd, die al van zijn veertiende een geweer draagt, de rij. Ze vertrouwen de twee mannen, die een paar honderd meter voor de groep de route verkennen en de richting uitstippelen, maar half. Ze beweren de streek te kennen maar bij de baas begint de indruk post te vatten dat ze doelloos rond dolen. Die avond zijn er hevige discussies over de te volgen richting. Het bakkeleien wordt onaangenaam als de commandant de kennis over het gebied van de twee mannen ernstig in twijfel trekt. Ze schreeuwen en tieren of er van een mogelijke vijand in de buurt geen sprake is. Eén verkenner is duidelijk onder invloed van drugs en gaat helemaal door het lint, trekt zijn revolver en begint er op los te schieten. Hij raakt één man in zijn arm en wordt dan door Mozes met een schot van zijn AK47 in het hoofd, uitgeschakeld. Die nacht trekken ze voor de veiligheid nog een paar uur verder. Om een uur of drie wordt er halt gehouden en vallen de mannen als een blok inslaap. De volgende dag sjouwen ze nog de hele dag door de bush. Blessings gaat die avond met Mozes en de overgebleven verkenner in beraad. Zij moeten toegeven dat ze hopeloos verdwaalt zijn. Hoe langer een klein peloton als zij ronddwalen des te gevaarlijker wordt het. De vijand kan van alle kanten opduiken. Ze slapen die nacht aan de rand van het woud en een grote open grasvlakte. Ze gaan er vanuit dat de schildwachten alert blijven en niet indommelen, zodat ze niet in hun vaak afschuwelijke nachtmerries overvallen worden door de vijand. De twee 'gedwongen' jonge krijgers voelen dat zij een soort vrienden zijn geworden maar praten slecht als het hoognodig is. Lachen hebben ze allang verleerd. Ze hebben een flink eind van de groep een kuil onder een enorme woudreus gevonden en camoufleren het gat met bladeren en takken.

Die nacht wordt het kamp overvallen en na een hevige strijd, vanwege de overmacht van de vijand, alle mannen gedood. De twee jongens komen uren na de slachtpartij uit hun hol en geven zich over. Hun leven wordt gespaard als ze zich 'vrijwillig' inlijven in het leger van de nieuwe krijgsheer.

Thursday, November 1, 2012

32 Boekenbal 693

De jaren zestig waren het tijdperk van de grote veranderingen. Ouders waren druk bezig met het opbouwen van het land na de tweede wereldoorlog en proefden van de hierdoor ontstane beginnende welvaart. De jeugd liet de haren groeien en de popmuziek knallen. Studies werden opgerekt en 'kunstenaar worden' een populaire bezigheid. Provo's dromden samen in Amsterdam op het Spui rond het Lieverdje en hielden daar hun happenings. Dit onder toeziend oog van Roel van Duyn, terwijl Robert-Jasper Grootveld, bekend als de anti-rookmagiёr en gekleed in heksachtige outfit, wilde dansen uitvoerde in een wolk van rook, terwijl hij klanken als uche uche uitkraaide. Later haalde hij de voorpagina's van de kranten als vlottenbouwer. Deze waren gemaakt van piepschuim en stonden vol met planten, groenten en kruiden, tevens liep er wat kleinvee rond. Na de happening werd het feest voortgezet met agentje pesten en veegde het waterkanon de straten schoon en trakteerde de vaak ongewassen jeugd op een gratis frisse douche. Het hierover, niet lovend, schrijvende dagblad de Telegraaf, wat toen nog in de binnenstad huisde, werd bestormd en de werknemers moesten vluchtten over het dak. De Kabouterpartij werd in 1969 opgericht en het volk stemde vijf zetels in de Amsterdamse gemeenteraad en kreeg ook in Belgiё, voornamelijk in Mechelen enige voet aan de grond. Het witte fietsenplan werd door Luud Schimmelpenninck gelanceerd, dat evenwel in Amsterdam, de fietsstad bij uitstek, mislukte, maar later in andere steden in Europa een succes werd. In Antwerpen loopt het nu storm, ze kunnen de vraag van nieuwe abonnees voor de roodwitte fietsen niet aan en is er tijdelijk een ledenstop. Het Flowerpowergevoel heerste bij de 400.000 festivalgangers, die het wereldberoemde concert in Woodstock bezochten, waar o.a. Joe Cocker, the Doors , Jimi Hendrix , Janis Joplin en Santana acte de présence gaven. Norman Greenbaum trad er met het nummer 'Spirit in the Sky' op, nog steeds een van de beste songs aller tijden. Het tijdperk van hasjiesj en wiet roken was aangebroken. Nepal werd een bedevaartsoord in navolging van het bezoek aldaar van de Beatles. Een grote trek in fel beschilderde Volkwagen busjes trok naar dit super religieuze prachtigeHimalaya land om er het 'Shangri-la' te zoeken. Ban de Bom manifestaties, alom bekend door het fraaie logo en de steeds massalere Vietnam vredesbetogingen tegen de Amerikaanse bezetting en de opvolger van de op 22 november 1963 in Dallas doodgeschoten John F.kennedy, Lyndon B.Johnson, gaven de jeugd steeds meer een stem. Ook de Nobel prijs winnaar Martin Luther King verklaarde zich tegen de oorlog en werd op 07 april 1968 vermoord. Boudewijn de Groot werd in 1966 onsterfelijk met zijn protestsong 'Welterusten Mijnheer de President', een lied geschreven door de onnavolgbare Lennaert Nijgh. Ook de studenten wilden inspraak en bezetten in 1969 het Maagdenhuis, terwijl dat jaar John Lennon en Yoko Ono één week een 'Bed In' hielden in het Hilton hotel Een heerlijk roerige episode, die de jeugd in een heel andere tijd deed leven als een decennium terug. De zestiger jaren eindigden in 1969 al even roerig met het in het Stedelijk museum gehouden Boekenbal, wat als titel voerde, het 'Palais du Pape'. Er waren diverse schandelijke schilderijen te zien van pausen, uit een tijd dat deze heerschappen er een lustig liederlijk leven op na hielden, met ruim ontklede dames om zich heen verzameld in compromitterende poses. Heel de katholieke goegemeente sprak schande en ook de destijds aan de macht zijnde burgemeester Samkalden moest er niets van hebben. Kritische vragen konden niet uitblijven in het parlement. Als niet schrijver had ik op dit festijn geen toegang, maar een meisje wat ik nog nauwelijks kende had een uitnodiging en vroeg me mee als haar partner. We dansten op wilde muziek en voelden ons belangrijk en bevoorrecht tussen de schrijvende massa en de paar top auteurs. We hielpen op het eind van het bal, tegen het ochtendgloren, de deuren sluiten en liepen onvast met een buitgemaakte poster naar de flat van mijn vriendin, die ik intussen veel beter had leren kennen. Doodmoe ben ik op haar bank in slaap gevallen.

Het meisje heb ik nooit meer gezien, ze is na het boekenfeest op vakantie gegaan en bij een auto- ongeluk in Frankrijk omgekomen.

Bron; wikipedia

31 Vlooien 416


 

Eind jaren 60 van de vorige eeuw woonden we op het Klein Heilig Land. Een smal straatje in het hart van Haarlem en zijstraat van de Gedempte Oude Gracht. Schuin tegenover ons bevonden zich, in de oude panden, magazijntjes met veel geblutst antiek koper. 'Hoe komt u aan al de oude koperen potjes en pannetjes? Waar haalt u dat allemaal vandaan?' vroeg ik. De man antwoordt niet zonder trots, 'wij maken antiek en voeren het dan naar Amerika uit, ze zijn er gek op en het verkoopt goed.' Beneden ons woonde een blonde kunstenaar, Erik, met een zeer knappe eveneens blonde vriendin. Een aardig koppel, maar het laatste half jaar begon hij steeds meer midden in de nacht keihard psychedelische muziek te draaien. Wij wilden dit toch even met hem bespreken om de beslist mooie muziek tot een paar keer per week in de nacht te beperken. Dus nodigden we Erik om een uur of vier uit, dan was hij op zijn best, een biertje te komen drinken. Ik trachtte hem met het argument, 'ik moet namelijk werken weet je wel,' te overtuigen meer tijdens de dag muziek op volle geluidssterkte te draaien. Hij vond werken een achterlijk soort van tijdsbesteding. 'Ik krijg geld uit de Contra- prestatie van het rijk,' zei Erik, terwijl hij ons zoetsappig toelachte. ' Ik heb honger,' en hij ving de enige goudvis die in een kom op tafel rondzwom en wilde hem levend en al in naar binnen happen. 'Ongebakken is dat niet lekker,' zei ik en hield zijn hand vlak voor zijn open mond tegen. Hij mikte de vis weer terug in zijn kom. Onze benedenbuurman verwaarloosde zich steeds meer en was meer met drugs en drank bezig dan met eten en kunst. De laatste keer dat we hem opzochten was in het ziekenhuis. Als een triest skelet met zijn vettige lange haren over zijn ingevallen gezicht lag hij in het ziekenhuisbed. Toen hij even bijkwam fluisterde hij; 'Ik ben mijn vriendin en al mijn tanden kwijt.' Het was die zomer erg warm en in ons oude pand was veel hout verwerkt. We moesten onze poes laten onderduiken in de straat bij een paar gedeserteerde Amerikanen, die de oorlog in Vietnam wilden ontlopen. Oorzaak houtvlooien. Ik heb bij de buurman om de hoek, Jean-Pierre, zijn stofzuiger geleend, en al het ongedierte opgezogen. Daarna het apparaat weer netjes bij hem teruggezet.

Twee dagen later komt J.P. vragen; 'Hebben jullie ook zo'n last van vlooien?' Misschien had ik de stofzuiger wel moeten schoonmaken?

 

Wednesday, October 31, 2012

30 Soldaat 813

Op de gedenkwaardige dag des Heren 01/06/1964 werden we met open armen ontvangen door de Nederlandse krijgsmacht en wel in de legerplaats Ossendrecht, depot Artillerie. Het leger is een vrijgevige instelling en vergastten ons rekruten op een plunjezak met groene kleren, een matras gevuld met stro, een ijzeren stapelbed, een smal ijzeren kast(die nu weer hip zijn) en als apotheose een half automatisch Fal geweer van degelijk Belgische makelij. Bij de uitreiking van dit geweer liet ik het geoliede wapen uit mijn handen glibberen en viel het met een dreun op de grond. De ons begeleidende sergeant (je mocht als leerling soldaat geen stap alleen zetten) liep rood aan en beval op schreeuwerige wijze naast het geweer op de grond te gaan liggen. 'In oorlogstijd was je dood geweest.' 'Het is geen oorlogstijd meneer, en ik kan het ook wel zo oprapen.' 'Ik ben geen meneer maar een sergeant.' Schreeuwde hij. De man kreeg bijna een hartaanval en ik strafcorvee en moest die avond gangen dweilen. Eén ding werd al snel duidelijk, het leger herbergt vele malle figuren. Ook de machtsstructuur is eigenaardig, iedereen heeft weer een baas boven hem waar hij voor in de houding moet staan en daar deze hogere in rang een absoluut gezag heeft, is deze structuur gebaseerd op een geweldige kontlikkerei richting de top. Veel kameraden die ik van mijn tijd op zee kende, kwamen voor hun nummer op en verlieten het instituut leger weer even vlot met een S5. Ze waren te veel vrijheid gewend. Ik had de fout gemaakt mij voor te nemen de achttien maanden uit te zitten en mij niet voor gek te laten verklaren. Grote inschattingsfout. Had ik maar het voorbeeld gevolgd van b.v. Jantje Bal, die zich lichtjes aangeschoten meldde bij de wacht aan de ingang, de wachtcommandant een portier noemde en hem als beloning, dat hij de kazerne in mocht, een dubbeltje fooi gaf. Of Fritz, die het leger een grote grap vond en steen vast op de eindeloze exercities gelijk een kameel als een telganger liep, Hendrik die een pop gemaakt had en hem aan een strot voor het raam liet bungelen (de kapitein was 'not amused'). Karel de smid, een beer van een vent, die sterke drank de kamer in smokkelde, zich steeds lazarus zoop en dan met zijn agressie geen weg wist en zich op het verbouwen van meubilair stortte. Rinus gooide op de schietbaan een handgranaat slechts één meter ver, zodat we allemaal snel op de grond lagen in de schuttersput voordat het knalde. Al deze verstandige mensen werden afgevoerd met een bevrijdende S5. Bij de meeste van het beroepskader was ook een steekje los. De twee kabouters, de 'drill' sergeants , hielden een constante wedstrijd wie het hards kon schreeuwen en van ons met een ongebreidelde fanatisme probeerden modelsoldaten te maken. Een oppersergeant, die zo fanatiek was dat het niet normaal was en waar we in het gelid voor moesten staan, omdat hij een lintje kreeg voor zijn aandeel in de destijds gevoerde gevechten tegen de Indonesische opstandelingen. Ik wilde bijna uit de gelederen naar voren stappen om hem te vragen hoeveel hij er neergeknald had. Maar het leek mij toch niet verstandig want avond aan avond dweilen is geen leuk werk. Verder zoop het kader als de raven wanneer ze 's avonds dienst hadden. Eigenlijk kan ik me slechts één sergeant herinneren die een gewoon en aardig normaal mens was. Geen echt hoge score. Bijna op het einde van de vier maanden durende rekrutentijd behaagde het de plaatselijke legerleiding me te belonen met een persoonlijk gesprek, om dat ik het volgehouden had, en niet weggelopen was, maar was gebleven. Ik stond op de plaats rust voor drie heren met glimmende sterren en balken op de revers en een indrukwekkende hoeveelheid speldjes met daaraan hangende lintjes. Zij moesten vast helden zijn! 'Wat vind je van het leger in het algemeen en wat denk je van het vak als onderofficier in het bijzonder?' was de vraag. 'Ze gaan me proberen te interesseren om beroepssoldaat te worden,' dacht in paniek. Dus ik stak van wal. 'Dat een soldaat niet zelf mag denken en er voor hem gedacht wordt lijkt mij een nadeel, ook het als kuddedieren gelijk domme schapen achter elkaar lopen is echt tegennatuurlijk voor een gewoon individu.' En ik vervolgde, 'bevelen worden altijd schreeuwend gegeven, we zijn echt niet allemaal doof. En dan die groene kleding, verschrikkelijk.' De middelste officier met de meeste sterren, schreeuwde dat ik in de houding moest staan. 'Ik hoor u wel' en sprong zoals ik het geleerd heb, als een modelsoldaat in de houding, maar was met mijn betoog niet meer te stuiten. 'Ik weet ook nog wel een paar positieve dingen,' probeerde ik nog hoopvol, maar het gesprek was kennelijk afgelopen.

Ik heb vier maanden lang te Ossendrecht gangen geboend, toiletten gereinigd, onkruid uit het exercitieveld getrokken en de paadjes aangeveegd.


 

 


 


 

29 Bier 722

We rijden door een niet zo voor de handliggende vakantie bestemming, Cornwall, gelegen in Zuid Engeland. Bochtige weggetjes slingeren door het heuvelachtige groene landschap, afgewisseld door weidse uitzichten over de diep beneden liggende woelende zee met hier en daar een stukje strand. Wat meteen opvalt zijn de tuinen rondom de huizen. De Engelse vingers zijn het groenst van de wereld. De lusthoven stoppen niet zoals bij ons bij het hek. Nee, ook voorbij de afscheiding gaan de bloemperken gewoon door. De borders lopen rustig over de gemeentegrond verder naar de straat of stoep. Zeer aangenaam voor de passant. Ook in Zuid Afrika zie je dit fenomeen, gelukkig iets goeds overgenomen van de Rednecks*. We zijn in Mevagissey beland en verkennen er de smalle straatjes van het dorp, drinken iets in het vissershaventje met zijn pier. Bezoeken The lost Gardens of Heligan en genieten van het uitzicht van Dodman Point. De 'cuisine' stond die tijd in Engeland (net als in Nederland trouwens) op een zeer laag pitje, dus eten we 'safe' in een vrij kaal gedecoreerd restaurant de onvermijdelijke vis en chips met een salade. Het gezelschap aan het tafeltje naast ons, waarmee we in gesprek zijn geraakt, maant ons aan een beetje door te eten, anders zijn we te laat voor de pub. Nu valt het ons ook op dat alle restaurantbezoekers haast krijgen en beginnen af te rekenen. Onze buren leggen ons uit waar het café is en dat ze alvast 'pints' zullen bestellen en verdwijnen, terwijl wij ons toetje verorberen. We stappen in de auto en volgen de aanwijzingen en belanden in een prachtige pub met veel kleur, hout en een mooie ruime koperen tap waar grote glazen bruin of blond bier tot op het randje worden volgeschonken, zonder de juist bij ons belangrijke schuimkraag. We amuseren ons kostelijk met onze nieuwe kennissen en aangezien het al snel sluitingstijd is, volgen we hen naar hun huis, alwaar we er nog één laatste biertje binnengieten en nog eentje om het af te leren en een voor afscheid nemen. Het hotelletje is gelukkig niet ver en we geraken veilig ter plaatse. In de hal zitten vier mannen met een flesje in de hand bier te drinken. Het blijken tandartsen te zijn en op doorreis naar een congres. Ze bieden er ons ook één aan uit een krat, maar ik heb genoeg gedronken en ga naar bed, morgen moeten we een eind rijden. De nachtwaker blijkt de illegale aanvoer van het gerstenat te provianderen. Mijn man kan de verleiding echter niet weerstaan en voegt zich bij het gezelschap en zet het aangeboden flesje aan de (onbegrijpelijk) nog steeds dorstige mond. Volgens mij zijn mannen het zwakke geslacht als het op o.a. 'verleidingen' in het leven aankomt! Ik duik in bed en val meteen in een diepe slaap en wordt de volgende morgen fris om acht uur wakker. Mijn echtgenoot ligt als een stuk ongeregeld dwars over het bed met zijn mond open en een beetje vocht langs zijn wang zwaar te ademen. Nu bemerk ik dat de hotelkamer deur open staat, kom uit bed en wil hem sluiten als ik in de gang schoenen, een hemd, een onderbroek en spijkerbroek in een stilleven- optocht op de gang zie liggen. Aangezien ze me bekend voorkomen raap ik ze op, schudt mijn hoofd als ik ze naar deze snurkende creatieve schepping van de Heer smijt met zijn sokken nog aan en ga onder de douche staan. Als ik mij aangekleed heb en de koffer heb ingepakt schud ik mijn grote liefde wakker. 'Ik ben weg,' zeg ik. 'Mijn hoofd,' antwoord hij terwijl hij zijn handen over zijn gezicht wrijft. 'Anders kom je maar met de trein na,' dreig ik nu. 'Geef mij drie minuten en ik ben klaar,' zegt hij. In het toilet loopt een schier eindeloze straal de pot in. Dan schiet hij in zijn verfomfaaide kleren en volgt mij naar de auto, terwijl ik zelf de koffer op zijn twee wieltjes voortbeweeg. Ik reken in de lobby af en zet mij achter het stuur. Mijn drankorgel slaapt reeds de slaap der onschuldige.

Vier uur later wordt hij wakker en zegt slaperig en met een verkreukeld gezicht, ' je moet wel links rijden, we zijn in Engeland hoor.'

*Scheldwoord van de Boeren in Zuid Afrika voor de Engelsen tijdens de Boerenoorlogen


 


 

28 Château de Jau 710

Frankrijk en de Fransen zelf, zijn in verre het aangenaamst als je de toeristenplaatsen, steden en snelwegen mijdt. Het zelfde geldt ook als je voor een acceptabele prijs echt lekker wilt eten en de vooraf klaar gemaakte maaltijden wilt mijden. De terrassen zijn doorgaans zo vol gezet met dicht op elkaar staande tafeltjes en stoelen, dat je er je kont niet kan keren. Je hebt geluk als je in een redelijke tijd een bestelling kan plaatsen. De geoccupeerd zijnde ober laveert met moeite, met zijn plateau hooggehouden, als een buikdanser langs het meubilair en klanten. Een te dikke garçon kan hier niet werken. We zoeven met een slakkengangetje in onze Amerikaanse ingevoerde droomslee met alle raampjes open door het heuvelachtige landschap, vertragen in Rivesalte en bewonderen het plaatselijke stadhuis. Bij het gehucht Cases-de-Pène zien we een bord staan wat een kunstgalerij aanduidt. Door nieuwsgierigheid en dorstige kelen gedreven wenden we de steven richting Château de Jau. Het château is een groot néo klassiek Bastideachtig gebouw uit 1800 in steenrood en oker. In het weidse golvende landschap met wijn- en olijfboomgaarden staan sierlijke cipressen als obelisken naar de hemel te wijzen. We bezoeken de tentoonstelling die in het bijgebouw, de magnanerie, plaatsvindt en veelkleurige figuratieve geweldig grote schilderijen exposeert. De kinderen vinden ze mooi. Het is inmiddels over twaalven en we willen wat te drinken bestellen op het gezellige terras. 'Niet mogelijk, alleen voor restaurantgasten,' zegt de ober. ' Goed idee, dan gebruiken we ook de lunch.' 'Helaas volgeboekt, mijnheer, gaat u even zitten, dan zal ik nog eens kijken wat ik voor u kan doen.' 'Zeikzak,' zeg ik zachtjes. 'Hij kan ons toch wel wat te drinken schenken,' foeter ik, mijn humeur duidelijk nog niet op volle vakantie ontspanningsgemoed. We genieten op het schaduwrijke terras van de warmte en het uitzicht, terwijl de eerste gasten binnendruppelen. De kinderen herhalen dat ze dorst hebben, maar onze ober is in geen velden of wegen te zien en ander personeel kan er niet over beslissen. Tegen de tijd dat ik mopperend op de Fransen in het algemeen en de oberstand in het bijzonder denk te zullen opstappen heeft de goede man blijkbaar medelijden met ons. Hij wil ons niet voor de, voor de Fransen 'heilige' lunch, weg sturen. 'We kunnen voor u een tafeltje arrangeren, alleen voor de hoofdmaaltijd hebben we maar vlees voor drie personen, we hebben namelijk maar één vast menu.' 'Geen probleem, de kinderen eten toch niet zoveel.' 'Zie je wel,' zegt mijn vrouw,' je moet eens wat meer geduld hebben.' We bestellen frisdrank om de geleden dorst te lessen en zijn blij dat we niet meer naar een andere eetgelegenheid moeten verkassen. Het restaurant loopt nu snel vol en we bestellen een flesje Rode Château de Jau en ik vraag of het eten kan worden opgediend. 'Zodra de bakker is geweest beginnen we met het serveren van het menu.' Dus wachten we rustig af. Aan de kinderen hebben we geen kind. Ze rennen op de opstaande randen langs de vijvers. Even slaat mijn hart op tilt als een stevige Duitse herder, die ook op het randje loopt en wil passeren, de oudste bijna de vijver induwt. (Engelsen hebben de naam van hondenliefhebbers, maar de Fransen zijn het echt). Het duurt nog een stief halfuurtje maar dan kondigt het gepruttel van een aftandse Deux Cheveaux de komst van de 'boulanger' aan. We krijgen een schaaltje overheerlijke broodjes, (het wachten waard) en het voorgerecht, un jambon de truie ibérique, komt dan in niet te lange tijd op tafel. Ondertussen wordt een grote takkenbos, die op een grill aan de kant van het terras staat, tot groot vermaak van de kinderen, aangestoken voor het vlees. De lamskoteletten en worstjes die komen smaken zalig en mals. Na het marscarpone ijsje bestellen we koffie terwijl een vorkheftruck zich tussen de tafeltjes door begint te manoeuvreren en kwistig een onaangename blauwe rook uitblaast. Tijd om te betalen en deze nu plotseling ongezonde lucht te ontlopen. We schaffen ons nog wat wijntjes in de boutique aan.


 

Eén en twintig jaar later ontdek ik in een hoekje onder in het schap achter in de wijnkelder een bestofte fles Muscat de Rivesalte van Château de Jau. Vol verwachting ontkurk ik heel voorzichtig de fles . De dessertwijn is nog mooi van kleur en prachtig van smaak.

Tuesday, October 30, 2012

27 Botsing 449


 

De kinderen zijn naar school. Ellen heeft een vrije dag van het advocatenkantoor, waar ze de godganse dag in wetboeken moet zitten snuffelen in opdracht van haar baas, de beruchte en exorbitant dure pleiter Max Cohen. Een aangenaam mens als alles op rolletjes loopt en Ellen de juiste wetteksten kan vinden of de in het verleden gedane rechtelijke uitspraken, de jurisprudentie , opsnorren. Doch als mijnheer niet tevreden is met haar resultaat eist hij dat ze desnoods de hele nacht blijft graven in de indrukwekkende bibliotheek. Gelukkig dat Steven, haar echtgenoot, veel thuis werkt en de kinderen dan kan opvangen. Haar salaris is onmiskenbaar nodig voor de afbetaling van hun huis. Ze besluit de dag door te brengen in de stad. Shoppen. Lekker helemaal alleen, op eigen snelheid en niemand die commentaar kan geven op een aankoop of een te hoge prijs. Ze stapt in haar aftandse Mini en tuft met haar arm op het open raam via Woodbridge en Paardeneiland de snelweg op naar Kaapstad. In de stad neemt ze de Buitengracht straat en wil links af slaan de Strand straat in.

Robert heeft haast. Deze morgen was hij al om acht op een bouwwerf. Als architect van een in aanbouw zijnd winkelpand probeerde hij een uit de hand lopende ruzie tussen de bouwheer en de aannemer te sussen. Niet erg handig van hem. Het eind van het liedje was natuurlijk dat de twee kemphanen in hun onvermogen hun conflict op te lossen een monsterverbond sloten en hem de oorzaak van hun probleem in de schoenen schoven. Dus het was allemaal zijn schuld. Hij heeft een afspraak in het luxe One and Only Hotel bij De Waterfront en is al te laat. Flink opgenaaid door de problemen met dat stelletje hansworsten op de bouwwerf, drukt hij het gaspedaal van zijn BMW diep in en rijdt met een te hoge snelheid Strand straat uit en wil rechts af de Buitenkant staat op. Plotseling duikt daar een gele Mini op, hij staat boven op zijn rem, vloekt,rukt zijn stuur naar rechts, roept een paar keer 'shit', doch de zware auto schuift, zij het veel langzamer tegen de achterzijkant van de gele koekendoos aan. De knal komt toch nog aardig aan. Robert blijft enkele ogenblikken in een soort trance zitten en komt dan traag zijn auto uit. Omstanders ontfermen zich reeds om de eigenaar van de Mini. Ze hitsen deze op de politie te bellen. Ze zijn getuige, die vent reed veel te hard, het is de schuld van die kerel in die dikke BMW en wijzen misprijzend en agressief naar hem. Dan draait de aangereden vrouw zich om en kijkt verbaasd haar aanrijder aan.

'Het is mijn broer,' stamelt ze.